Apprentissage du néerlandais au niveau intermédiaire

Apprendre le néerlandais au niveau intermédiaire

Améliorez vos compétences en néerlandais avec le vocabulaire et les phrases de niveau intermédiaire. Construisez sur votre base et développez vos connaissances avec des flashcards structurées conçues pour les francophones.

J'ai mangé.
Ik at.
Tu es allé.
Je ging.
Il est arrivé.
Hij kwam aan.
Elle est partie.
Ze vertrok.
Nous avons vu.
Wij zagen.
Tu as fait.
Je deed het.
Ils sont venus.
Ze kwamen.
Je ne suis pas allé.
Ik ging niet.
Tu n'as pas mangé.
Je at niet.
Je me suis réveillé.
Ik werd wakker.
Elle s'est habillée.
Ze kleedde zich aan.
Nous sommes allés au lit.
We gingen naar bed.
Je suis allé hier.
Ik ging gisteren.
Elle est arrivée la semaine dernière.
Ze arriveerde vorige week.
Nous nous sommes rencontrés il y a deux jours.
We ontmoetten elkaar twee dagen geleden.
J'ai fini mon travail.
Ik maakte mijn werk af.
Tu as acheté une voiture.
Je kocht een auto.
Il a perdu ses clés.
Hij verloor zijn sleutels.
Elle a trouvé son téléphone.
Ze vond haar telefoon.
Je dois voir un médecin
Ik moet een arts zien.
Avez-vous un rendez-vous ?
Heeft u een afspraak?
Quels sont vos symptômes ?
Wat zijn uw symptomen?
J'ai besoin d'une ordonnance
Ik heb een recept nodig.
Où est la pharmacie ?
Waar is de apotheek?
J'ai besoin de médicaments
Ik heb medicijnen nodig.
Prenez ceci trois fois par jour
Neem dit drie keer per dag.
Je suis allergique à la pénicilline
Ik ben allergisch voor penicilline.
Je me suis cassé le bras
Ik heb mijn arm gebroken.
Elle a un rhume
Ze is verkouden.
Il a la grippe
Hij heeft griep.
Je dois me reposer
Ik moet rusten.
Je me sens mieux
Ik voel me beter.
Appelez une ambulance
Bel een ambulance.
C'est une urgence
Het is een noodgeval.
J'ai un rendez-vous chez le médecin.
Ik heb een afspraak bij de dokter.
J'ai besoin de prendre un rendez-vous.
Ik moet een afspraak maken.
J'ai une douleur thoracique.
Ik heb pijn op mijn borst.
Je me sens étourdi.
Ik voel me duizelig.
J'ai du mal à respirer.
Ik heb moeite met ademhalen.
La douleur a commencé hier.
De pijn begon gisteren.
J'ai besoin d'une prise de sang.
Ik heb een bloedonderzoek nodig.
Je dois me faire vacciner.
Ik moet me laten vaccineren.
Je prends des médicaments.
Ik neem medicijnen.
Je dois consulter un spécialiste.
Ik moet een specialist zien.
Restaurant
Restaurant
Menu
menukaart
Serveur
ober
Table
Tafel.
Je voudrais une table
Ik zou graag een tafel willen.
Avez-vous une réservation ?
Heeft u een reservering?
Puis-je voir le menu ?
Mag ik de menukaart zien?
Je prendrai le poulet
Ik neem de kip.
Je suis végétarien
Ik ben vegetariër.
Je suis allergique aux noix
Ik ben allergisch voor noten.
Que recommandez-vous ?
Wat raadt u aan?
Je prendrai la même chose
Ik neem hetzelfde.
L'addition, s'il vous plaît
De rekening, alstublieft.
Le pourboire est-il inclus ?
Is de fooi inbegrepen?
La nourriture est délicieuse
Het eten is heerlijk.
Je prendrai un verre de vin
Ik neem een glas wijn.
Je prépare le dîner
Ik ben het avondeten aan het koken.
Elle fait un gâteau
Ze is een taart aan het bakken.
Nous avons besoin d'ingrédients
We hebben ingrediënten nodig.
Ajoutez du sel et du poivre
Voeg zout en peper toe.
Préchauffez le four
Verwarm de oven voor.
Coupez les légumes
Snijd de groenten.
Remuez la sauce
Roer de saus.
Le repas est prêt
Het eten is klaar.
Mettez la table
Dek de tafel.
Passez-moi le sel
Geef me het zout.
Voulez-vous encore un peu ?
Wilt u nog wat?
J'ai assez mangé
Ik zit vol.
C'est bon
Het smaakt goed.
Je n'aime pas ça
Ik vind dit niet lekker.
Je voudrais commander.
Ik zou graag willen bestellen.
L'addition, s'il vous plaît.
Mag ik de rekening?
Le service était excellent.
De bediening was uitstekend.
Je prendrai le plat du jour.
Ik neem de dagschotel.
Est-ce que ce plat est épicé ?
Is dit gerecht pittig?
Je le voudrais bien cuit.
Ik wil het graag goed doorbakken.
Pourrais-je avoir de l'eau ?
Mag ik wat water?
Je suis un régime alimentaire spécial.
Ik volg een speciaal dieet.
Heureux
Blij.
Triste
Verdrietig.
En colère
Boos.
Excité
Opgewonden.
Nerveux
zenuwachtig
Calme
Kalm.
Fatigué
Moe.
Je suis heureux
Ik ben blij.
Elle est triste
Ze is verdrietig.
Il est en colère
Hij is boos.
Nous sommes excités
We zijn enthousiast.
Je me sens nerveux
Ik voel me zenuwachtig.
Elle semble calme
Ze lijkt rustig.
Je suis inquiet
Ik maak me zorgen.
Il est déçu
Hij is teleurgesteld.
Nous sommes fiers
Wij zijn trots.
Je suis surpris
Ik ben verrast.
Elle est gênée
Ze schaamt zich.
Il est jaloux
Hij is jaloers.
Je suis amoureux
Ik ben verliefd.
Je me sens dépassé.
Ik voel me overweldigd.
Elle est frustrée.
Ze is gefrustreerd.
Il se sent soulagé.
Hij voelt zich opgelucht.
Je suis anxieux à propos de l'examen.
Ik ben nerveus voor het examen.
Elle est contente.
Ze is tevreden.
Il se sent reconnaissant.
Hij voelt zich dankbaar.
Je me sens optimiste.
Ik voel me optimistisch.
Elle est pessimiste.
Ze is pessimistisch.
Il se sent confus.
Hij voelt zich verward.
Je me sens nostalgique.
Ik voel me nostalgisch.
Montagne
berg
Rivière
rivier
Forêt
Bos
Océan
Oceaan.
Plage
Strand
Lac
Meer
Arbre
Boom
Fleur
Bloem
Printemps
Lente.
Été
Zomer.
Automne
Herfst.
Hiver
Winter.
Il fait soleil
Het is zonnig.
Il fait du vent
Het waait.
Il neige
Het sneeuwt.
Il y a un orage
Er is een storm.
Il fait beau
Het weer is mooi.
Il fait chaud dehors
Het is heet buiten.
Il fait froid aujourd'hui
Het is koud vandaag.
Nous devons protéger l'environnement
We moeten het milieu beschermen.
Le changement climatique est un problème sérieux.
Klimaatverandering is een ernstig probleem.
Nous devrions réduire la pollution.
We moeten de vervuiling verminderen.
Le recyclage est important.
Recycling is belangrijk.
Nous devons économiser l'eau.
We moeten water besparen.
La qualité de l'air est mauvaise aujourd'hui.
De luchtkwaliteit is vandaag slecht.
Nous devrions utiliser des énergies renouvelables.
We moeten hernieuwbare energie gebruiken.
La déforestation est un problème.
Ontbossing is een probleem.
Nous devons protéger la faune.
We moeten wilde dieren beschermen.
La température augmente.
De temperatuur stijgt.
Nous devrions planter plus d'arbres.
We zouden meer bomen moeten planten.
Ordinateur.
Computer.
Internet
internet
courriel
E-mail.
site web
website
Mot de passe.
Wachtwoord
Je dois vérifier mes e-mails.
Ik moet mijn e-mail controleren.
Peux-tu m'envoyer le fichier ?
Kun je me het bestand sturen?
Je vous enverrai un lien.
Ik stuur je een link.
La connexion Internet est lente.
Het internet is traag.
Mon ordinateur a planté.
Mijn computer is vastgelopen.
J'ai besoin de mettre à jour mon logiciel.
Ik moet mijn software bijwerken.
J'ai oublié mon mot de passe.
Ik ben mijn wachtwoord vergeten.
J'ai besoin de télécharger ce fichier.
Ik moet dit bestand downloaden.
Pouvez-vous m'aider avec cette application ?
Kun je me helpen met deze app?
Je publie sur les réseaux sociaux.
Ik post op sociale media.
Je vais partager cela avec vous.
Ik zal dit met je delen.
La connexion est instable.
De verbinding is instabiel.
Je dois sauvegarder mes données.
Ik moet een back-up van mijn gegevens maken.
La batterie de mon téléphone est déchargée.
De batterij van mijn telefoon is leeg.
Je dois recharger mon appareil.
Ik moet mijn apparaat opladen.
Pouvez-vous m'aider à configurer mon compte ?
Kun je me helpen mijn account op te zetten?
J'ai du mal à me connecter.
Ik heb problemen met inloggen.
Le site web ne se charge pas.
De website laadt niet.
J'ai besoin d'installer une mise à jour.
Ik moet een update installeren.
Je t'ajouterai en ami.
Ik voeg je als vriend toe.
Je dois réinitialiser mon mot de passe.
Ik moet mijn wachtwoord opnieuw instellen.
Peux-tu m'appeler en vidéo ?
Kun je me videobellen?
Je téléverse des photos.
Ik ben foto's aan het uploaden.
Le fichier est trop volumineux.
Het bestand is te groot.
Film
film
Télévision.
Televisie.
Livre
Boek.
Musique
Muziek.
J'ai regardé un excellent film.
Ik heb een geweldige film gezien.
As-tu vu cette émission ?
Heb je deze show gezien?
Je lis un livre intéressant.
Ik lees een interessant boek.
Quel genre de musique aimes-tu ?
Wat voor muziek vind je leuk?
J'adore cette chanson.
Ik hou van dit nummer.
Le film était ennuyeux.
De film was saai.
Je recommande ce livre.
Ik raad dit boek aan.
Le concert était incroyable.
Het concert was geweldig.
J'écoute un podcast.
Ik luister naar een podcast.
As-tu lu les nouvelles aujourd'hui ?
Heb je vandaag het nieuws gelezen?
Je suis plusieurs sources d'information.
Ik volg verschillende nieuwsbronnen.
L'article était bien écrit.
Het artikel was goed geschreven.
Je regarde un documentaire.
Ik kijk naar een documentaire.
La pièce était fantastique.
Het toneelstuk was fantastisch.
J'aime aller au cinéma.
Ik ga graag naar de bioscoop.
Quel est ton genre préféré ?
Wat is je favoriete genre?
Je préfère les films d'action.
Ik geef de voorkeur aan actiefilms.
L'intrigue était confuse.
Het plot was verwarrend.
Je suis fan de cet auteur.
Ik ben fan van deze auteur.
La critique était positive.
De recensie was positief.
Je suis abonné à cette chaîne.
Ik ben geabonneerd op dit kanaal.
La performance était exceptionnelle.
De voorstelling was uitstekend.
Je vais à un concert la semaine prochaine.
Ik ga volgende week naar een concert.
L'exposition était impressionnante.
De tentoonstelling was indrukwekkend.
Je cherche un bon livre à lire.
Ik ben op zoek naar een goed boek om te lezen.
Il a reçu de bonnes critiques.
De critici gaven het goede recensies.
ami
vriend
Famille.
Familie.
Je me suis fait un nouvel ami.
Ik heb een nieuwe vriend leren kennen.
Nous sommes amis depuis des années.
We zijn al jaren vrienden.
Je suis proche de ma famille.
Ik heb een hechte band met mijn familie.
Je sors avec quelqu'un.
Ik date iemand.
Nous sommes en couple.
We hebben een relatie.
Je suis célibataire.
Ik ben vrijgezel.
Nous nous sommes séparés.
We zijn uit elkaar gegaan.
Je me marie.
Ik ga trouwen.
Nous sommes fiancés.
We zijn verloofd.
Je rencontre quelqu'un pour prendre un café.
Ik spreek iemand af voor koffie.
On se voit ce week-end ?
Zullen we dit weekend afspreken?
Je dois être plus sociable.
Ik moet meer socializen.
Nous nous entendons bien.
We kunnen goed met elkaar opschieten.
J'ai une bonne relation avec mes collègues.
Ik heb een goede relatie met mijn collega's.
On organise une fête.
We geven een feestje.
J'invite des amis chez moi.
Ik nodig vrienden uit.
J'ai besoin d'entretenir des amitiés.
Ik moet vriendschappen onderhouden.
Nous avons beaucoup en commun.
We hebben veel gemeen.
Je cherche un colocataire.
Ik zoek een huisgenoot.
Nous sommes voisins.
We zijn buren.
Je rencontre mes beaux-parents.
Ik ga mijn schoonfamilie ontmoeten.
Nous célébrons un anniversaire.
We vieren ons jubileum.
Je suis en train de divorcer.
Ik zit midden in een scheiding.
Nous essayons de régler les choses.
We proberen het uit te praten.
Je tiens à notre amitié.
Ik waardeer onze vriendschap.
Nous nous faisons confiance.
We vertrouwen elkaar.
J'ai hâte de te voir.
Ik kijk ernaar uit je te zien.
Nous devrions rester en contact.
We moeten contact houden.
J'ai besoin de ton avis.
Ik heb je advies nodig.
Que devrais-je faire ?
Wat moet ik doen?
Pouvez-vous m'aider ?
Kun je me helpen?
J'ai un problème.
Ik heb een probleem.
Je vous suggère d'essayer ceci.
Ik raad je aan dit te proberen.
Vous devriez envisager.
Je zou kunnen overwegen.
Je vous recommande de.
Ik raad je aan.
Pourquoi ne pas essayer ?
Waarom probeer je het niet?
Avez-vous pensé à.
Heb je eraan gedacht.
Tu pourrais peut-être.
Misschien zou je kunnen.
Je pense que la meilleure solution est.
Ik denk dat de beste oplossing is.
Vous devriez peut-être.
Je zou dat misschien willen.
Je te conseillerais de.
Ik zou je aanraden om.
Si j'étais toi, je le ferais.
Als ik jou was, zou ik dat doen.
Que feriez-vous à ma place ?
Wat zou je doen in mijn situatie?.
Je ne suis pas sûr de savoir comment résoudre cela.
Ik weet niet zeker hoe ik dit moet oplossen.
Laisse-moi y réfléchir.
Laat me er even over nadenken.
Nous devons trouver une solution.
We moeten een oplossing vinden.
Il doit y avoir un moyen.
Er moet een manier zijn.
Travaillons ensemble là-dessus.
Laten we hier samen aan werken.
J'ai tout essayé.
Ik heb alles geprobeerd.
Peut-être devrions-nous demander de l'aide.
Misschien moeten we om hulp vragen.
Je pense qu'on peut résoudre ça.
Ik denk dat we dit kunnen uitzoeken.
Laisse-moi te donner un conseil.
Laat me je wat advies geven.
Tu as raison, c'est une bonne idée.
Je hebt gelijk, dat is een goed idee.
Merci pour la suggestion.
Bedankt voor de suggestie.
Je vais suivre votre conseil.
Ik zal je advies opvolgen.
Ça pourrait marcher.
Dat zou kunnen werken.
Laissez-moi essayer cette approche.
Laat me die aanpak proberen.
C'est du gâteau
Het is een fluitje van een cent.
Bonne chance
Hals- en beenbreuk.
Il pleut des cordes
Het regent pijpenstelen.
Je suis fauché
Ik ben blut.
Ça coûte les yeux de la tête
Het kost een rib uit mijn lijf.
Je suis tout ouïe
Ik hang aan je lippen.
Ce n'est pas mon truc
Dat is niet mijn ding.
Une fois par hasard
Eens in de honderd jaar.
Faire d'une pierre deux coups
Twee vliegen in één klap slaan.
C'est à vous de jouer
De bal ligt bij jou.
Être à la place de quelqu'un
In iemands plaats zijn
Mettre dans le mille
de spijker op zijn kop slaan
Mieux vaut tard que jamais
Beter laat dan nooit.
Il ne faut pas juger sur les apparences
Beoordeel een boek niet op zijn omslag.
À quelque chose malheur est bon
Aan elke wolk zit een zilveren randje.
Les actes valent mieux que les paroles
Daden zeggen meer dan woorden.
Être aux anges
In de zevende hemel zijn.
Avoir un cœur d'or
Een hart van goud hebben.
Être très occupé
Zo druk als een bij zijn.
Vendre la mèche
een geheim verklappen
Prendre son courage à deux mains.
de bittere pil slikken
En rester là.
er een punt achter zetten
Prendre des raccourcis.
aan de kantjes lopen
Donner le coup d'envoi.
De bal aan het rollen brengen.
Bûcher.
de boeken induiken
Garder un œil sur
in de gaten houden
Faire marcher quelqu'un.
iemand in de maling nemen.
Être sur la même longueur d'onde.
Het eens zijn.
Jeter l'éponge.
de handdoek in de ring gooien
Ne pas être dans son assiette.
zich niet lekker voelen
Chef
kok
Nous avons visité Paris.
We bezochten Parijs.
J'avais déjà mangé quand tu es arrivé.
Ik had al gegeten toen je aankwam.
Ils avaient fini avant que nous commencions.
Ze hadden het afgemaakt voordat wij begonnen.
Je lisais quand le téléphone a sonné.
Ik was aan het lezen toen de telefoon ging.
Elle avait travaillé toute la journée.
Ze had de hele dag gewerkt.
Nous n'avions jamais vu un coucher de soleil aussi beau.
We hadden nog nooit zo'n mooie zonsondergang gezien.
Je venais juste de partir quand il a commencé à pleuvoir.
Ik was net vertrokken toen het begon te regenen.
Il avait oublié de m'appeler.
Hij was vergeten me te bellen.
Ils y avaient vécu pendant cinq ans.
Ze hadden daar vijf jaar gewoond.
J'attendais depuis une heure.
Ik had een uur gewacht.
Elle avait étudié le français avant de déménager à Paris.
Ze had Frans gestudeerd voordat ze naar Parijs verhuisde.
Nous n'étions jamais allés dans ce restaurant.
We waren nog nooit in dat restaurant geweest.
J'irai
Ik zal gaan.
Tu mangeras
Je zult eten.
Il viendra
Hij zal komen.
Elle partira
Zij zal vertrekken.
Nous verrons
We zullen zien.
Vous ferez
Je zult het doen.
Ils arriveront
Zij zullen aankomen.
Je vais partir
Ik ga vertrekken.
Tu vas manger
Je gaat eten.
Nous allons voyager
We gaan reizen.
J'irai demain
Ik zal morgen gaan.
Elle arrivera la semaine prochaine
Ze zal volgende week aankomen.
Nous nous rencontrerons le mois prochain
We zullen elkaar volgende maand ontmoeten.
Je finirai mon travail
Ik zal mijn werk afmaken.
Tu achèteras une maison
Je zult een huis kopen.
Il apprendra le français
Hij zal Frans leren.
Elle étudiera la médecine
Zij zal geneeskunde studeren.
Nous visiterons le musée
We zullen het museum bezoeken.
Je t'appellerai
Ik zal je bellen.
Ils reviendront l'année prochaine
Ze zullen volgend jaar terugkeren.
J'aurai fini d'ici là.
Ik zal het tegen die tijd af hebben.
Elle sera partie avant que tu n'arrives.
Ze zal vertrokken zijn voordat je aankomt.
Nous aurons vécu ici depuis un an.
We zullen hier al een jaar hebben gewoond.
Je suis sur le point de partir.
Ik sta op het punt te vertrekken.
Ils sont sur le point d'arriver.
Ze zullen zo aankomen.
Je travaillerai à ce moment-là.
Ik zal op dat moment aan het werk zijn.
Elle sera en train d'étudier quand tu appelleras.
Ze zal aan het studeren zijn wanneer je belt.
Nous aurons terminé le projet d'ici vendredi.
We zullen het project tegen vrijdag hebben afgerond.
Je pense qu'il pleuvra demain.
Ik denk dat het morgen zal regenen.
Je suis sûr qu'elle réussira.
Ik weet zeker dat ze zal slagen.
Je doute qu'ils viennent.
Ik betwijfel dat ze zullen komen.
Je mangeais
Ik at.
Tu allais
Je ging.
Il dormait
Hij sliep.
Elle lisait
Zij las.
Nous jouions
Wij speelden.
Vous travailliez
Je werkte.
Ils étudiaient
Zij studeerden.
J'allais à l'école
Ik ging naar school.
Nous habitions à Paris
We woonden in Parijs.
Elle jouait du piano
Ze speelde piano.
Il pleuvait
Het regende.
Le soleil brillait
De zon scheen.
J'étais heureux
Ik was gelukkig.
Nous étions amis
We waren vrienden.
Ils étaient fatigués
Ze waren moe.
Je rendais visite à ma grand-mère tous les dimanches.
Ik bezocht mijn grootmoeder elke zondag.
Il était toujours en retard.
Hij kwam altijd te laat.
Elle lisait souvent le soir.
Ze las vaak 's avonds.
Nous vivions à Londres à cette époque.
We woonden in Londen op dat moment.
Il commençait à faire sombre.
Het werd donker.
Les enfants jouaient dans le jardin.
De kinderen speelden in de tuin.
Je pensais à toi.
Ik dacht aan je.
Ils attendaient le bus.
Zij wachtten op de bus.
Elle portait une robe bleue.
Ze droeg een blauwe jurk.
Nous dînions quand le téléphone a sonné.
We waren aan het eten toen de telefoon ging.
J'allais partir.
Ik stond op het punt te vertrekken.
J'irais
Ik zou gaan.
Tu mangerais
Jij zou eten.
Il viendrait
Hij zou komen.
Elle partirait
Zij zou vertrekken.
Nous verrions
We zouden zien.
Vous feriez
je zou doen
Pourriez-vous m'aider ?
Zou u mij kunnen helpen?
Voudriez-vous du café ?
Zou u wat koffie willen?
J'aimerais aller
Ik zou graag gaan.
Je préférerais rester
Ik zou liever blijven.
Si j'avais le temps, je voyagerais
Als ik tijd had, zou ik reizen.
Si tu étudiais, tu réussirais
Als je studeerde, zou je slagen.
J'achèterais une voiture si j'avais de l'argent
Ik zou een auto kopen als ik geld had.
Nous visiterions la France si nous pouvions
We zouden Frankrijk bezoeken als we konden.
Elle serait heureuse si elle gagnait
Ze zou blij zijn als ze won.
Si j'étais toi, j'accepterais.
Als ik jou was, zou ik het accepteren.
Je serais allé si j'avais su.
Ik zou zijn gegaan als ik het had geweten.
Elle aurait téléphoné si elle avait eu le temps.
Ze zou gebeld hebben als ze tijd had.
Nous serions arrivés plus tôt s'il n'y avait pas eu de circulation.
We zouden eerder zijn aangekomen als er geen verkeer was geweest.
Je préférerais rester chez moi.
Ik zou liever thuis blijven.
Est-ce que cela vous dérangerait de fermer la fenêtre ?
Zou u het raam willen sluiten?
J'apprécierais votre aide.
Ik zou uw hulp op prijs stellen.
Si c'était possible, je le ferais.
Als het mogelijk was, zou ik het doen.
Je ne ferais jamais cela.
Ik zou dat nooit doen.
Elle aiderait toujours si on le lui demandait.
Ze zou altijd helpen als haar gevraagd werd.
Le livre a été écrit par lui.
Het boek werd door hem geschreven.
La maison est en train d'être construite.
Het huis wordt gebouwd.
La lettre a été envoyée hier.
De brief werd gisteren verstuurd.
La voiture sera réparée.
De auto zal worden gerepareerd.
Le problème a été résolu.
Het probleem is opgelost.
La porte a été ouverte.
De deur werd geopend.
La fenêtre a été cassée.
Het raam werd gebroken.
Le repas est en train d'être préparé.
De maaltijd wordt bereid.
Le rapport a été terminé la semaine dernière.
Het rapport werd vorige week afgerond.
La réunion sera tenue demain.
De vergadering zal morgen worden gehouden.
La décision a été prise par le comité.
De beslissing werd door de commissie genomen.
Le bâtiment a été détruit par l'incendie.
Het gebouw werd door de brand verwoest.
Le travail est en train d'être fait par des professionnels.
Het werk wordt door professionals gedaan.
La question a reçu une réponse correcte.
De vraag werd correct beantwoord.
Le colis a été livré.
Het pakket is bezorgd.
Le film a été réalisé par un réalisateur célèbre.
De film werd geregisseerd door een beroemde regisseur.
La chanson est en train d'être chantée par des enfants.
Het lied wordt door kinderen gezongen.
Les règles doivent être suivies.
De regels moeten worden gevolgd.
L'erreur aurait dû être évitée.
De fout had moeten worden vermeden.
Le projet devrait être terminé bientôt.
Het project wordt naar verwachting binnenkort voltooid.
L'information m'a été donnée.
De informatie werd mij gegeven.
L'invitation a été acceptée.
De uitnodiging werd geaccepteerd.
Le problème doit être abordé.
Het probleem moet worden aangepakt.
Le document a été examiné.
Het document is beoordeeld.
L'événement a été organisé par des bénévoles.
Het evenement werd door vrijwilligers georganiseerd.
Le gâteau a été fait par ma mère.
De taart werd door mijn moeder gemaakt.
Le message a été reçu.
Het bericht werd ontvangen.
Le travail sera fait par des experts.
De taak zal door experts worden gedaan.
Il a dit qu'il était fatigué.
Hij zei dat hij moe was.
Elle m'a dit qu'elle viendrait.
Ze vertelde me dat ze zou komen.
Ils ont dit qu'ils avaient terminé.
Ze zeiden dat ze klaar waren.
Je lui ai dit que je partais.
Ik vertelde hem dat ik wegging.
Elle a dit qu'elle avait vu le film.
Ze zei dat ze de film had gezien.
Il m'a dit qu'il appellerait plus tard.
Hij vertelde me dat hij later zou bellen.
Ils ont dit qu'ils allaient voyager.
Ze zeiden dat ze zouden gaan reizen.
J'ai demandé si elle était prête.
Ik vroeg of ze klaar was.
Il m'a demandé où j'allais.
Hij vroeg waar ik naartoe ging.
Elle a demandé quelle heure il était.
Ze vroeg hoe laat het was.
Ils ont demandé quand nous arriverions.
Ze vroegen wanneer we zouden aankomen.
Je lui ai demandé pourquoi il était en retard.
Ik vroeg hem waarom hij te laat was.
Elle m'a dit d'attendre.
Ze zei tegen mij dat ik moest wachten.
Il m'a demandé de ne pas partir.
Hij vroeg me om niet weg te gaan.
Ils nous ont dit de nous taire.
Ze zeiden tegen ons dat we stil moesten zijn.
J'ai dit que j'avais travaillé toute la journée.
Ik zei dat ik de hele dag had gewerkt.
Elle m'a dit qu'elle n'y avait jamais été.
Ze vertelde me dat ze daar nog nooit geweest was.
Il a dit qu'il aurait fini d'ici là.
Hij zei dat hij tegen die tijd klaar zou zijn geweest.
Ils nous ont dit qu'ils nous avaient attendus.
Ze vertelden ons dat ze aan het wachten waren geweest.
J'ai demandé s'il avait vu le courriel.
Ik vroeg of hij de e-mail had gezien.
Elle a demandé si nous voulions venir.
Ze vroeg of we wilden komen.
Il m'a dit qu'il ne pouvait pas m'aider.
Hij vertelde me dat hij niet kon helpen.
Ils ont dit qu'ils pourraient venir plus tard.
Ze zeiden dat ze misschien later zouden komen.
Je lui ai dit que je devais partir.
Ik vertelde haar dat ik moest vertrekken.
Elle a dit qu'elle aurait dû téléphoner.
Ze zei dat ze had moeten bellen.
Il m'a demandé de l'aider.
Hij vroeg me om hem te helpen.
Ils nous ont dit de ne pas nous inquiéter.
Ze zeiden tegen ons dat we ons geen zorgen moesten maken.
J'ai dit que je serais là.
Ik zei dat ik daar zou zijn.
Je t'appellerai quand j'arriverai.
Ik zal je bellen wanneer ik aankom.
Elle est partie parce qu'elle était fatiguée.
Ze vertrok omdat ze moe was.
Nous sommes restés à la maison puisqu'il pleuvait.
We bleven thuis omdat het regende.
J'étudie pour que je puisse réussir l'examen.
Ik studeer zodat ik het examen kan halen.
Il travaille dur afin de réussir.
Hij werkt hard om te slagen.
S'il pleut, nous resterons à l'intérieur.
Als het regent, blijven we binnen.
Bien qu'il ait été tard, nous avons continué.
Hoewel het laat was, gingen we door.
Même si elle était occupée, elle a aidé.
Hoewel ze het druk had, hielp ze.
Pendant que je cuisinais, le téléphone a sonné.
Terwijl ik aan het koken was, ging de telefoon.
Avant de partir, veuillez fermer la fenêtre.
Voordat je vertrekt, sluit alsjeblieft het raam.
Architecte
architect
Après que j'aurai fini le travail, je rentrerai chez moi.
Nadat ik klaar ben met werken, ga ik naar huis.
Jusqu'à ce que tu arrives, je t'attendrai ici.
Totdat je aankomt, zal ik hier wachten.
Dès que j'ai entendu la nouvelle, j'ai appelé.
Zodra ik het nieuws hoorde, belde ik.
Je t'aiderai à condition que tu le demandes.
Ik zal je helpen, op voorwaarde dat je het vraagt.
Si tu ne te dépêches pas, tu seras en retard.
Als je je niet haast, kom je te laat.
Je l'aime parce que c'est intéressant.
Ik vind het leuk omdat het interessant is.
Puisque vous êtes ici, commençons.
Nu je hier bent, laten we beginnen.
Je suis allé au magasin pour pouvoir acheter de la nourriture.
Ik ging naar de winkel zodat ik eten kon kopen.
Elle a beaucoup étudié pour obtenir de bonnes notes.
Ze studeerde hard om goede cijfers te krijgen.
Je viendrai si tu m'invites.
Ik zal komen als je me uitnodigt.
Même si c'était cher, je l'ai acheté.
Hoewel het duur was, heb ik het gekocht.
Bien qu'il ait essayé, il a échoué.
Hoewel hij het probeerde, faalde hij.
Pendant qu'elle lisait, il cuisinait.
Terwijl zij aan het lezen was, was hij aan het koken.
Avant de commencer, laissez-moi expliquer.
Voordat we beginnen, laat me het uitleggen.
Après qu'elle est partie, je me suis rendu compte de mon erreur.
Nadat ze vertrok, realiseerde ik me mijn fout.
Je l'ai attendu jusqu'à ce qu'il arrive.
Ik wachtte tot hij aankwam.
Dès que je l'ai vue, j'ai souri.
Zodra ik haar zag, glimlachte ik.
J'irai à condition que le temps soit beau.
Ik zal gaan, mits het weer goed is.
À moins que tu n'étudies, tu ne réussiras pas.
Tenzij je studeert, zul je niet slagen.
Plus j'en apprends, plus je me rends compte que je ne sais rien.
Hoe meer ik leer, hoe meer ik besef dat ik niets weet.
Non seulement elle est arrivée en retard, mais elle a aussi oublié les documents.
Niet alleen kwam ze te laat, maar ze vergat ook de documenten.
Soit tu viens avec moi, soit j'y vais seul.
Of je gaat met me mee, of ik ga alleen.
Ni lui ni elle n'était présente.
Noch hij noch zij waren aanwezig.
Le professeur et les élèves étaient tous heureux.
Zowel de leraar als de leerlingen waren blij.
Je le vois
Ik zie hem.
Je la vois
Ik zie haar.
Je les vois
Ik zie hen.
Je vous aime
Ik houd van u.
Je vous aime
Ik houd van u.
Je vous le donne
Ik geef het u.
Je vous le donne
Ik geef het u.
Elle m'écrit
Zij schrijft mij.
Il nous parle
Hij spreekt tegen ons.
Nous leur disons
We vertellen hen.
Je vous appelle
Ik bel u.
Je vous appelle
Ik bel u.
Je vous attends
Ik wacht op u.
Je vous attends
Ik wacht op u.
J'en ai besoin
Ik heb het nodig.
Je lui ai donné le livre.
Ik gaf hem het boek.
Elle m'a montré la photo.
Ze liet mij de foto zien.
Nous leur avons dit la nouvelle.
We vertelden hen het nieuws.
Je le lui ai acheté.
Ik heb het voor haar gekocht.
Il nous a envoyé un message.
Hij stuurde ons een bericht.
Je ne les trouve pas.
Ik kan ze niet vinden.
Elle ne l'aime pas.
Ze vindt het niet leuk.
Nous ne l'avons pas vu.
We hebben hem niet gezien.
Je t'aiderai.
Ik zal je helpen.
Ils nous ont invités.
Ze hebben ons uitgenodigd.
L'homme qui est ici
De man die hier is.
Le livre que je lis
Het boek dat ik heb gelezen.
L'ami dont j'ai emprunté la voiture
De vriend wiens auto ik geleend heb.
La ville où j'habite
De stad waar ik woon.
La personne que j'ai rencontrée
De persoon die ik ontmoette.
La maison qui est à vendre
Het huis dat te koop is.
Le film que j'ai vu
De film die ik heb gezien.
Le professeur qui enseigne le français
De leraar die Frans geeft.
Le restaurant où nous avons mangé
Het restaurant waar we aten.
L'ami dont c'est l'anniversaire
De vriend wiens verjaardag het is.
La voiture que je veux
De auto die ik wil.
Le jour où nous nous sommes rencontrés
De dag waarop we elkaar ontmoetten.
La raison pour laquelle je suis venu
De reden waarom ik kwam.
Le livre dont j'ai parlé
Het boek waarvan ik sprak.
Les gens qui travaillent ici
De mensen die hier werken.
La femme dont le fils est médecin.
De vrouw wier zoon dokter is.
L'endroit où je suis né.
De plaats waar ik geboren ben.
Le moment où tout a changé.
De tijd waarin alles veranderde.
La raison pour laquelle je suis ici.
De reden waarom ik hier ben.
La personne à qui j'ai écrit.
De persoon aan wie ik schreef.
L'entreprise pour laquelle je travaille.
Het bedrijf waarvoor ik werk.
Les étudiants dont les examens étaient difficiles.
De studenten van wie de examens moeilijk waren.
Le moment où je me suis rendu compte.
Het moment waarop ik me realiseerde.
La façon dont elle l'a résolu.
De manier waarop ze het oploste.
La chose qui compte le plus.
Het ding dat het meest telt.
Je veux que tu viennes
Ik wil dat je komt.
Il est important que tu étudies
Het is belangrijk dat je studeert.
Je suis content que tu sois ici
Ik ben blij dat je hier bent.
Je doute qu'il vienne
Ik betwijfel of hij zal komen.
Il faut que nous partions
Het is nodig dat we vertrekken.
Comptable
accountant
Je préfère que tu restes
Ik heb liever dat je blijft.
Il vaut mieux qu'elle sache
Het is beter dat ze het weet.
J'ai peur qu'il pleuve
Ik ben bang dat het gaat regenen.
Il est possible qu'il ait raison
Het is mogelijk dat hij gelijk heeft.
Je suis désolé que tu sois malade
Het spijt me dat je ziek bent.
Il est essentiel que nous arrivions à l'heure
Het is essentieel dat we op tijd aankomen.
Je ne pense pas qu'il vienne
Ik denk niet dat hij zal komen.
C'est étrange qu'elle soit partie
Het is vreemd dat ze vertrokken is.
J'espère que tu réussisses
Ik hoop dat je slaagt.
Il faut que j'y aille
Het is noodzakelijk dat ik ga.
Je suggère que tu te reposes.
Ik stel voor dat je ruste.
Il est crucial que nous finissions aujourd'hui.
Het is cruciaal dat we het vandaag afmaken.
J'insiste pour que tu viennes.
Ik eis dat je kome.
Il est recommandé que vous arriviez tôt.
Het wordt aanbevolen dat je vroeg aankomt.
J'exige que tu expliques.
Ik eis dat je het uitlegt.
Il est vital que nous agissions maintenant.
Het is van vitaal belang dat we nu handelen.
J'exige que tu termines ceci.
Ik eis dat je dit voltooit.
Il est impératif que nous réussissions.
Het is noodzakelijk dat we slagen.
Je souhaite que tu sois ici.
Ik wou dat je hier was.
Il est peu probable qu'elle soit d'accord.
Het is onwaarschijnlijk dat ze zal instemmen.
Plus grand
Groter.
Plus petit
Kleiner.
Meilleur
Beter.
Pire
Slechter.
Plus beau
Mooier.
Moins cher
Minder duur.
Aussi grand que
zo groot als.
Le plus grand
De grootste.
Le plus petit
De kleinste.
Le meilleur
De beste.
Le pire
De slechtste.
Le plus beau
De mooiste.
Le moins cher
Het minst duur.
Elle est plus grande que moi
Ze is langer dan ik.
C'est le meilleur restaurant
Dit is het beste restaurant.
Il est aussi intelligent que son frère
Hij is net zo slim als zijn broer.
C'est plus difficile
Dit is moeilijker.
C'est la plus belle ville
Het is de mooiste stad.
J'ai plus d'argent que toi
Ik heb meer geld dan jij.
Elle est la plus jeune
Ze is de jongste.
C'est moins compliqué que je ne le pensais.
Dit is minder ingewikkeld dan ik dacht.
Il est le plus expérimenté.
Hij is het meest ervaren.
C'est mieux que rien.
Het is beter dan niets.
Elle est aussi talentueuse que sa sœur.
Ze is net zo getalenteerd als haar zus.
C'est l'option la moins chère.
Dit is de minst dure optie.
Il est plus intelligent que ses camarades de classe.
Hij is intelligenter dan zijn klasgenoten.
C'est le livre le plus intéressant que j'aie lu.
Het is het interessantste boek dat ik gelezen heb.
Elle est moins confiante qu'avant.
Ze is minder zelfverzekerd dan vroeger.
C'est de loin meilleur que la version précédente.
Dit is veel beter dan de vorige versie.
Il est beaucoup plus grand que son père.
Hij is veel langer dan zijn vader.
Je pense que c'est une bonne idée.
Ik denk dat dat een goed idee is.
À mon avis, nous devrions attendre.
Naar mijn mening zouden we moeten wachten.
Je crois que c'est important.
Ik geloof dat het belangrijk is.
Je suis d'accord avec toi.
Ik ben het met je eens.
Je ne suis pas d'accord.
Ik ben het er niet mee eens.
Je suis partiellement d'accord.
Ik ben het er gedeeltelijk mee eens.
Je suis complètement en désaccord.
Ik ben het er helemaal mee oneens.
C'est un bon point.
Dat is een goed punt.
Je vois ce que tu veux dire.
Ik begrijp wat je bedoelt.
Je ne pense pas.
Dat denk ik niet.
Je préfère cette option.
Ik geef de voorkeur aan deze optie.
Je préférerais rentrer chez moi.
Ik zou liever naar huis gaan.
Je suggère que nous essayions une approche différente.
Ik stel voor dat we een andere aanpak proberen.
Je recommande ce restaurant.
Ik raad dit restaurant aan.
Je pense que nous devrions reconsidérer.
Ik denk dat we het moeten heroverwegen.
De mon point de vue, cela a du sens.
Naar mijn mening is dat logisch.
Je suis convaincu que c'est juste.
Ik ben ervan overtuigd dat dit klopt.
Je n'en suis pas sûr.
Daar ben ik niet zeker van.
J'ai des doutes.
Ik heb mijn twijfels.
Je suis en faveur de ce plan.
Ik ben voor dit plan.
Je suis contre cette proposition.
Ik ben tegen dit voorstel.
Je pense que ça vaut la peine d'essayer.
Ik denk dat het de moeite waard is om het te proberen.
Je ne pense pas que ce soit nécessaire.
Ik denk niet dat het nodig is.
J'ai de fortes convictions à ce sujet.
Ik heb hier een sterke mening over.
J'ai des sentiments partagés.
Ik heb gemengde gevoelens.
Je suis ouvert aux suggestions.
Ik sta open voor suggesties.
J'aimerais connaître votre avis.
Ik hoor graag jouw mening.
Qu'en penses-tu ?
Wat vind je?
Êtes-vous d'accord ?
Ben je het ermee eens?
Médecin
dokter
Enseignant
Leraar
Ingénieur
ingenieur
Avocat
Advocaat
Infirmier
verpleegkundige
Directeur
Manager.
Secrétaire
Secretaresse
Je travaille dans un bureau
Ik werk op een kantoor.
Elle est médecin
Zij is arts.
Il travaille comme enseignant
Hij werkt als leraar.
J'ai une réunion
Ik heb een vergadering.
Nous travaillons ensemble
We werken samen.
Je dois finir ce projet
Ik moet dit project afmaken.
Elle cherche un travail
Ze is op zoek naar een baan.
Il a été promu
Hij is gepromoveerd.
Je commence le travail à neuf heures
Ik begin om negen met werken.
Nous finissons à cinq heures
We zijn om vijf uur klaar.
Je suis en vacances
Ik ben op vakantie.
Elle est à la retraite
Ze is met pensioen.
Il est au chômage
Hij is werkloos.
Je gagne un bon salaire
Ik verdien een goed salaris.
Nous avons une échéance
We hebben een deadline.
J'ai un entretien d'embauche demain.
Ik heb morgen een sollicitatiegesprek.
Elle a soumis son CV.
Ze diende haar cv in.
Nous devons programmer une réunion.
We moeten een vergadering plannen.
J'ai envoyé un e-mail à mon collègue.
Ik heb mijn collega een e-mail gestuurd.
Il a fait une présentation.
Hij gaf een presentatie.
Nous avons discuté du projet.
We bespraken het project.
Je dois préparer un rapport.
Ik moet een rapport voorbereiden.
Elle travaille à domicile.
Ze werkt thuis.
Il est en voyage d'affaires.
Hij is op zakenreis.
J'ai une conférence téléphonique.
Ik heb een conference call.
Je souhaiterais organiser une réunion.
Ik zou graag een vergadering willen plannen.
Pourrions-nous organiser un appel ?
Zouden we een telefoongesprek kunnen plannen?
Je vous écris pour faire suite à notre conversation.
Ik schrijf u om ons gesprek op te volgen.
Merci pour votre e-mail.
Dank u voor uw e-mail.
Dans l'attente de votre réponse.
Ik zie ernaar uit om van u te horen.
Veuillez trouver ci-joint.
In de bijlage vindt u.
Je vous serais reconnaissant de bien vouloir me faire part de vos commentaires.
Ik zou uw feedback op prijs stellen.
Veuillez me faire savoir si vous avez des questions.
Laat het mij weten als u vragen heeft.
Je suis disponible la semaine prochaine.
Ik ben volgende week beschikbaar.
Pourrions-nous en discuter davantage ?
Zouden we dit verder kunnen bespreken?
Je propose que nous nous rencontrions lundi prochain.
Ik stel voor dat we aanstaande maandag afspreken.
L'ordre du jour de la réunion est ci-joint.
De agenda voor de vergadering is bijgevoegd.
Je souhaiterais présenter mes idées.
Ik zou graag mijn ideeën willen presenteren.
Nous devons négocier les termes.
We moeten over de voorwaarden onderhandelen.
Je propose que nous examinions le contrat.
Ik stel voor dat we het contract doornemen.
Discutons du budget.
Laten we het budget bespreken.
Je dois clarifier quelques points.
Ik moet enkele punten verduidelijken.
Nous devrions envisager les alternatives.
We zouden de alternatieven moeten overwegen.
Je suis convaincu que nous pouvons parvenir à un accord.
Ik ben ervan overtuigd dat we tot een overeenkomst kunnen komen.
Nous devons prendre une décision.
We moeten een beslissing nemen.
Je souhaiterais proposer une solution.
Ik zou graag een oplossing voorstellen.
Permettez-moi de résumer les points principaux.
Laat me de belangrijkste punten samenvatten.
Nous devons traiter ce problème.
We moeten deze kwestie aanpakken.
Je souhaiterais organiser une réunion.
Ik zou graag een vergadering willen inplannen.
Pourriez-vous m'envoyer les détails ?
Kunt u mij de details sturen?
Je fais suite à notre discussion.
Ik neem contact op naar aanleiding van ons gesprek.
Nous devons finaliser les détails.
We moeten de details afronden.
Je souhaiterais confirmer le rendez-vous.
Ik zou graag de afspraak bevestigen.
Veuillez m'indiquer vos disponibilités.
Laat mij alstublieft weten wanneer u beschikbaar bent.
Je vous écris pour vous informer.
Ik schrijf u om u te informeren.
Nous devons coordonner nos efforts.
We moeten onze inspanningen coördineren.
Je vous serais reconnaissant(e) d'une réponse rapide.
Ik zou een snelle reactie op prijs stellen.
Programmons une réunion de suivi.
Laten we een vervolgbijeenkomst inplannen.
Je dois vous tenir informé de l'avancement.
Ik moet u bijpraten over de voortgang.
Nous devrions en discuter en personne.
We zouden dit persoonlijk moeten bespreken.
Es-tu libre demain ?
Ben je morgen vrij?
Ça te dirait de prendre un café ?
Zou je willen afspreken voor een kop koffie?
Quelle heure vous convient ?
Hoe laat komt het je uit?
Je suis disponible l'après-midi.
Ik ben 's middags beschikbaar.
Retrouvons-nous au restaurant.
Laten we bij het restaurant afspreken.
Je ne peux pas venir vendredi.
Ik kan het vrijdag niet.
Et la semaine prochaine ?
Wat dacht je van volgende week?
Je dois vérifier mon emploi du temps.
Ik moet mijn agenda controleren.
Laissez-moi confirmer l'heure.
Laat me de tijd bevestigen.
Je vous appellerai pour organiser une réunion.
Ik zal je bellen om een afspraak te maken.
Nous devrions fixer une date.
We zouden een datum moeten vastleggen.
Je voudrais prendre rendez-vous.
Ik zou graag een afspraak willen maken.
Avez-vous des disponibilités ?
Heb je nog ruimte in je agenda?
Je suis occupé cette semaine.
Ik heb het deze week druk.
Reportons cela au mois prochain.
Laten we het verplaatsen naar volgende maand.
Je dois annuler notre réunion.
Ik moet onze afspraak afzeggen.
Peut-on le reporter ?
Kunnen we het uitstellen?
Je vous tiendrai au courant si quelque chose change.
Ik laat het je weten als er iets verandert.
À quoi ressemble ton emploi du temps ?
Hoe ziet je agenda eruit?
J'ai un créneau mardi.
Ik heb een opening op dinsdag.
Organisons quelque chose pour le week-end.
Laten we iets plannen voor het weekend.
Je dois me coordonner avec mon équipe.
Ik moet met mijn team afstemmen.
Nous devrions réserver à l'avance.
We zouden van tevoren moeten boeken.
Je t'enverrai une invitation de calendrier.
Ik stuur je een agenda-uitnodiging.
Confirmons les détails.
Laten we de details bevestigen.
J'ai hâte de notre réunion.
Ik kijk uit naar onze afspraak.
Nous devons trouver un moment qui convienne à tout le monde.
We moeten een tijd vinden die voor iedereen uitkomt.
Je reviendrai vers toi avec une heure.
Ik laat je weten hoe laat.
Retrouvons-nous à mi-chemin.
Laten we halverwege afspreken.
Je confirmerai par e-mail.
Ik zal het per e-mail bevestigen.
J'aime lire
Ik lees graag.
Elle joue au tennis
Ze speelt tennis.
Il joue de la guitare
Hij speelt gitaar.
Nous allons nager
We gaan zwemmen.
J'aime cuisiner
Ik kook graag.
Elle adore danser
Ze houdt van dansen.
Il pratique le yoga
Hij doet aan yoga.
Nous faisons de la randonnée
We gaan wandelen.
Je joue aux échecs
Ik speel schaak.
Elle peint
Ze schildert.
Il prend des photos
Hij maakt foto's.
Nous regardons des films
We kijken naar films.
J'écoute de la musique
Ik luister naar muziek.
Elle va au théâtre
Ze gaat naar het theater.
Il collectionne les timbres
Hij verzamelt postzegels.
Nous jouons aux jeux de société
Wij spelen bordspellen.
Je vais à la salle de sport
Ik ga naar de sportschool.
Elle fait du jardinage
Ze doet aan tuinieren.
Il va à la pêche
Hij gaat vissen.
Nous jouons au football
Wij voetballen.
Je fais du vélo
Ik fiets.
Elle fait du jogging
Ze gaat hardlopen.
Il joue aux jeux vidéo
Hij speelt videogames.
Nous allons camper
We gaan kamperen.
J'écris de la poésie
Ik schrijf poëzie.
La photographie me passionne.
Ik ben gepassioneerd door fotografie.
Elle fait de l'escalade.
Ze houdt van rotsklimmen.
Il aime la menuiserie.
Hij houdt van houtbewerking.
Nous aimons aller à des concerts.
We gaan graag naar concerten.
J'ai mal
Ik heb pijn.
Je passe mon temps libre à lire.
In mijn vrije tijd lees ik.
Elle trouve que peindre est relaxant.
Ze vindt schilderen ontspannend.
Il s'intéresse à l'astronomie.
Hij is geïnteresseerd in astronomie.
Nous aimons essayer de nouveaux restaurants.
We vinden het leuk om nieuwe restaurants te proberen.
Je préfère les activités de plein air.
Ik geef de voorkeur aan buitenactiviteiten.
Elle aime essayer de nouveaux passe-temps.
Ze houdt ervan om nieuwe hobby's uit te proberen.
Aéroport
Luchthaven
Vol
vlucht
Billet
kaartje
Passeport
Paspoort.
Bagage
Bagage.
Hôtel
hotel.
Réservation
Reservering
Chambre
Kamer
J'ai besoin d'un billet
Ik heb een ticket nodig.
Où est l'aéroport ?
Waar is het vliegveld?
J'ai une réservation
Ik heb een reservering.
Enregistrement, s'il vous plaît
Inchecken, alstublieft.
À quelle heure est le vol ?
Hoe laat is de vlucht?
J'ai perdu mes bagages
Ik ben mijn bagage kwijt.
Où est la gare ?
Waar is het treinstation?
Comment aller au centre-ville ?
Hoe kom ik naar het stadscentrum?
Je veux louer une voiture
Ik wil een auto huren.
Combien ça coûte ?
Hoeveel kost het?
Je cherche un hôtel
Ik ben op zoek naar een hotel.
Avez-vous une chambre disponible ?
Heeft u een kamer beschikbaar?
Je voudrais régler la note
Ik zou graag willen uitchecken.
Où puis-je acheter un ticket de métro ?
Waar kan ik een metrokaartje kopen?
Quel quai ?
Welk perron?
Cette place est-elle prise ?
Is deze stoel bezet?
Je vais à Paris
Ik ga naar Parijs.
Nous sommes arrivés sains et saufs
We zijn veilig aangekomen.
Je voyage pour affaires
Ik reis voor zaken.
Elle est en vacances
Ze is op vakantie.
Nous sommes touristes
We zijn toeristen.
J'ai besoin d'indications
Ik heb aanwijzingen nodig.
J'ai besoin de changer de l'argent.
Ik moet geld wisselen.
Où se trouve l'office de tourisme ?
Waar is het toeristenbureau?
J'aimerais réserver une chambre.
Ik wil graag een kamer boeken.
À quelle heure est l'enregistrement ?
Wat is de inchecktijd?
Le petit-déjeuner est-il inclus ?
Is het ontbijt inbegrepen?
Je dois annuler ma réservation.
Ik moet mijn reservering annuleren.
Le vol a été retardé.
De vlucht is vertraagd.
J'ai une correspondance.
Ik heb een aansluitende vlucht.
Magasin
Winkel.
Acheter
kopen
Vendre
verkopen
Prix
Prijs.
Argent
Geld.
Carte de crédit
creditcard
Espèces
Contant.
Reçu
bon
Je veux acheter ceci
Ik wil dit kopen.
Combien ça coûte ?
Hoeveel kost het?
C'est trop cher
Het is te duur.
Avez-vous une réduction ?
Heeft u korting?
Puis-je payer par carte ?
Kan ik met kaart betalen?
Je le prends
Ik neem het.
Avez-vous ceci dans une autre taille ?
Heeft u dit in een andere maat?
Je regarde seulement
Ik kijk alleen even.
Où est la cabine d'essayage ?
Waar is de paskamer?
Je dois échanger ceci
Ik moet dit ruilen.
Puis-je avoir un remboursement ?
Kan ik mijn geld terugkrijgen?
Je cherche un cadeau
Ik ben op zoek naar een cadeau.
Quel est votre budget ?
Wat is je budget?
C'est une bonne affaire
Dat is een goede deal.
Je vais y réfléchir
Ik zal erover nadenken.
Nous sommes fermés
We zijn gesloten.
Le magasin ouvre à neuf heures
De winkel gaat om negen uur open.
Pouvez-vous me faire un meilleur prix ?
Kunt u me een betere prijs geven?
Je voudrais négocier.
Ik zou graag afdingen.
Ça ne me va pas.
Dit past niet.
Je voudrais retourner ceci.
Ik wil dit graag retourneren.
Avez-vous une garantie ?
Heeft u garantie?
Je veux me plaindre de ce produit.
Ik wil een klacht indienen over dit product.
La qualité n'est pas ce à quoi je m'attendais.
De kwaliteit is niet wat ik had verwacht.
Je voudrais parler au responsable.
Ik zou graag met de manager spreken.
Puis-je payer en plusieurs fois ?
Kan ik in termijnen betalen?
Y a-t-il une promotion ?
Is er een uitverkoop?
Docteur
dokter.
Hôpital
Ziekenhuis
Pharmacie
Apotheek.
Médicament
Medicijn
Je suis malade
Ik ben ziek.
J'ai mal à la tête
Ik heb hoofdpijn.
J'ai de la fièvre
Ik heb koorts.
J'ai mal à la gorge
Ik heb keelpijn.
J'ai des nausées
Ik voel me misselijk.